Philip Glass over luisteren (en componeren) als je 80 bent

Dit bericht is ook beschikbaar in: en en-gb en-au fr de sv cn

Door: Piotr Orlov
Fotograaf: Danny Clinch

 

Philip Glass opent de deur. Hij leidt me naar de voorkamer van zijn bakstenen huis in de East Village in New York. Het is een kamer vol spullen, een beetje rommelig en doorleefd, waar ik mijn jas ophang en even moet wachten. Ik blijk wat vroeg te zijn en Glass is nog met iets anders bezig. Terwijl ik diverse lagen kleding uittrek die me beschermden tegen de kou buiten, schuifelt Glass naar de kamer ernaast — de muziekkamer, zo blijkt — en gaat verder met het rustig en intens spelen van enkele noten op de piano. Ik kan je verzekeren dat het echt heel bijzonder voelt, als je je realiseert dat je per ongeluk Philip Glass hebt gestoord bij het werken aan zijn muziek. Hij behoort immers tot de meest invloedrijke Amerikaanse componisten van de afgelopen eeuw en hij is een van de meesters van de moderne klassieke muziek “met herhalende structuren” (hij houdt niet van de term “minimalisme”), die talloze awards en lifetime-achievement medailles heeft ontvangen — .

 

Philip Glass' plank van bladmuziek en een PLAY: 3.

 

Glass woont in dit huis sinds 1984, en die volle kamer — vleugel, synthesizer, volgepakte boekenkasten van de grond tot het plafond, overal bladmuziek en kunstvoorwerpen, vooral Oosterse — is de plek waar hij componeert. Het is de kamer waar hij het meeste schreef voor zijn Symfonie Nr. 11, die in Carnegie Hall in première ging op 31 januari, wat ook de tachtigste verjaardag was van Glass. Twee mijlpalen die niet geheel toevallig samenvielen.

“Het was allemaal bekokstoofd,” zegt Glass met een grijns die zelden van zijn gezicht verdwijnt tijdens ons gesprek, enkele weken na die dag. “De mensen die voor mij werken hebben het bewust op mijn verjaardag gepland die ik zou vieren in Carnegie Hall.” (Hij zet een ironische stem op: “Geen enkele druk. ‘Oké, dus het is mijn feestje en ik mag al het werk doen?’”) Glass vertelt dat hij zich wel even zorgen maakte vanwege de stress; hij herschreef de laatste 11 pagina’s van de symfonie na de eerste repetitie, omdat “Ik besefte dat het eind niet definitief genoeg was”. Maar hij heeft wel het idee dat de première, uitgevoerd door het Bruckner Orchester Linz, onder leiding van de hoofddirigent Dennis Russell Davies (die al heel lang met Glass samenwerkt), best goed verliep. “De ontvangst leek zeer oprecht. Mensen vonden het echt mooi. Ze applaudisseerden heus niet alleen omdat ik 80 werd, zoals je soms ziet bij [oudere] mensen die buiten in het park joggen en dat de mensen dan ‘Yeah’ roepen alleen vanwege het feit dat ze er nog steeds toe in staat zijn.”

“Mijn dagen van luisteren verband hielden met de platenzaak van mijn vader, waar ik begon te werken toen ik 12 was. Mijn eerste baan in de muziekwereld was om mensen te adviseren welke platen ze moesten kopen, dus moest ik alle platen in de winkel kennen.”

Even later, verwijzend naar wat hij zelf voelde na de uitvoering van de symfonie verklaart Glass terloops: “Iets schrijven en horen is niet precies hetzelfde.” Kort gezegd draait de discussie om dit grote verschil: hoe voor een componist — vooral iemand met een staat van dienst als die van Glass — het bedenken en het luisteren met elkaar verweven en van elkaar gescheiden zijn, en hoe deze handelingen zich tot elkaar verhouden bij het schrijven van een enorm stuk als zijn Elfde Symfonie.

 

Philip Glass' piano met een PLAY: 5.

 

Glass ontwikkelde hier al vroeg ideeën over. Hoewel hij op de prestigieuze muziekschool van Baltimore begon toen hij acht was, is hij er zeker van dat “Mijn dagen van luisteren verband hielden met de platenzaak van mijn vader, waar ik begon te werken toen ik 12 was. Mijn eerste baan in de muziekwereld was om mensen te adviseren welke platen ze moesten kopen, dus moest ik alle platen in de winkel kennen. De mensen kwamen binnen en dan zei ik ‘Houdt u van snel of van langzaam? Als u van langzaam houdt, kunt u de uitvoering van Bruno Walter nemen. Als u van snel houdt, kunt u beter Toscanini nemen. Als u een Amerikaan [Amerikaanse versie] wilt, hebben we de uitvoering van Leonard Bernstein.’ Je zou kunnen zeggen dat ik moest luisteren voor mijn beroep.”

Glass moest luisteren en tegelijkertijd rekening houden met de ontluikende markt van audiofielen. “We wisten welke platen goed klonken en welke niet, maar de mensen die echt gek van geluid waren, gaven niks om de inhoud. Wat we dan zeiden was, ‘We hebben net een plaat van een fanfareband binnen, ongelooflijk hoe die koperinstrumenten klinken.’ We verkochten muziek.”

Glass studeerde en maakte zijn creatieve ontwikkeling door op de Universiteit van Chicago en de Juilliard School of Music in New York; daarna ging hij naar Parijs, waar hij studeerde met de beroemde docent compositieleer Nadia Boulanger en de Indiase muziek van Ravi Shankar in muziekschrift noteerde. Toen ging hij weer terug naar New York, waar hij in 1967 het Philip Glass Ensemble oprichtte om zijn eerste eigen composities uit te voeren. Over deze periode zegt hij, “Ik luisterde nauwelijks.”

Doordat Glass zo goed was in het lezen van bladmuziek en zich zo goed kon voorstellen hoe de geschreven muziek in het echt zou moeten klinken, kreeg hij nog sneller inzicht in composities en hun vormen. “Ik deed alsof ik colleges volgde maar wat ik eigenlijk deed was een kwartet van Beethoven lezen,” zegt hij over de race tegen de docenten die hij won “omdat ik beter kon lezen.” Maar hij zag ook de zwakke kanten in van het conceptualiseren van gecomponeerd geluid zonder het daadwerkelijk terug te luisteren. “Horen we het echt goed? Schrijven we echt op wat we willen horen?” vraagt Glass zich af. Wat hem betreft is de grootste uitdaging om je in je hoofd te proberen voor te stellen hoe een stuk muziek precies klinkt en de muziek in ‘real-time’ te horen. Dat is erg moeilijk te realiseren. En dus speel je de muziek maar op de piano,” wat niet, als het om een symfonisch stuk gaat, de meest getrouwe weergave van de muziek is. De relatie tussen lineaire tijd en schrijven is een levenslange, zeer ingewikkelde puzzel. “Volgens mij zijn dit de uitdagingen waar componisten op elk moment van hun leven mee te maken hebben. Je wordt niet heel erg veel beter — je leert misschien een paar trucjes, maar dat is het dan ook wel.”

 

Philip Glass heeft de mogelijkheid om bladmuziek te horen van de pagina.

 

Technologie heeft zijn omgeving zeer zeker veranderd. Het is interessant om Glass — die onlangs een Sonos-systeem door zijn hele huis heeft laten aanleggen — te horen over digitale hulpmiddelen als “assets” tijdens zijn proces van componeren, inclusief het schrijven van zijn nieuwe symfonie.

“Ik werkte met Dennis,” vertelt hij over wat er voorafging aan de première in Carnegie Hall. “We waren een paar overgangen aan het doornemen, en Dennis had van de repetities digitale opnames gemaakt. Ik had ze op Dropbox gezet en daarna op mijn telefoon gedownload. We luisterden er [samen] naar en zeiden, ‘misschien kunnen we hier een paar maten weghalen.’ Tegenwoordig luister ik de opnames van de repetities in mijn muziekkamer meestal terug. Dat is heel erg handig.”

Met het verstrijken van de tijd is het gehoor van Glass achteruit gegaan — “De zintuiglijke waarneming wordt biologisch afgebroken,” zo stelt hij. “Kijk, ik ben tachtig. “Hoe lang heb ik nog?” maar ook, nog belangrijker, wat wil hij nog horen.

“Meestal luister ik voor mijn werk. Natuurlijk is het leuk om te luisteren, maar ik luister niet per se omdat het leuk is. Als ik bijvoorbeeld naar het nieuwe album van Anoushka Shankar luister, luister ik meer om te zien of ze een band heeft die haar goed begeleidt, of ze goed samenspelen, om te weten of Ravi het mooi zou hebben gevonden. Of, als ik een orkest hoor, dan wil ik de dirigent horen. Ik wil horen hoe hij of zij klinkt.” Zijn grijns komt weer tevoorschijn. Ik heb allerlei verborgen agenda’s als ik luister.”

Glass vertelt dat er, naast de muziek, nog andere redenen zijn waarom hij erg blij is met zijn Sonos-systeem. “In mijn slaapkamer luister ik bijvoorbeeld naar het nieuws — de radiostations staan overzichtelijk op een rij en de ontvangst is altijd goed. Maar luisteren voor mijn plezier…” Zijn stem wordt langzaam zachter. “Mijn ideale plek is een plek waar ze geen muziek spelen. Zo heb ik toevallig ontdekt dat je in Chinese restaurants in New York geen muziek hoort, heb je dat wel eens gemerkt?”